In 2025 is het landelijke onderzoek Passende huisvesting van start gegaan, onder aanvoering van het lectoraat Wonen en Welzijn van Hogeschool Utrecht, gekoppeld aan de beleidsprogramma’s ’Een thuis voor iedereen’ en het ‘Nationaal Actieplan Dakloosheid’.1 Een van de deelprojecten binnen dit onderzoek richt zich op bijzondere woonvormen voor (dreigend) dakloze mensen, die niet in een zelfstandige woning willen, kunnen of mogen wonen. Na eerdere publicaties in dit tijdschrift over de normatieve aspecten van beschermd wonen (Huber & Van Vugt, 2023) en de Amsterdamse praktijk (Huber et al., 2024), gaat deze bijdrage over het landelijke perspectief.
Achtergrond: opzet van een verkenning
We schetsen het landelijke perspectief via een verkenning vanuit de vraagzijde: welke bijzondere woonvormen worden gemist? Ons onderzoek naar passende huisvesting (d.i. de mate waarin huisvesting past bij de wensen en behoeften van een persoon) in bijzondere woonvormen staat niet op zichzelf. Het vraagstuk van goed wonen voor mensen die niet zelfstandig kunnen, mogen of willen wonen is een (belangrijk) onderdeel van de Regiokaart Complex van zorgkantoren (2024), het Actieplan Passende langdurige zorg voor dakloze mensen (2025), de Werkagenda Een betekenisvol leven met een langdurige psychische aandoening (2025) en de Academische werkplaats langdurige ggz (Trimbos-instituut, 2024), naast de eerder genoemde landelijke beleidsprogramma’s, waaraan het onderzoek gekoppeld is. Voor het onderzoek hebben we recente relevante beleidsrapporten- en verkenningen geanalyseerd (o.a. CQ Procesmanagement, 2024; DSP-groep, 2024; Huber, 2025; Mind, 2024; Muusse et al., 2025; VNG, 2025). Daarnaast hebben we gesproken met twintig experts, werkzaam bij zorgkantoren, gemeenten, brancheorganisaties en zorgaanbieders (woonzorg- en ggz-organisaties). In een voorverkenning is gesproken met leden van het cliëntenpanel van HVO-Querido, leden van de Academische werkplaats langdurige ggz, belangenbehartigers en mensen met ervaringskennis.
De gesprekken waren overwegend digitaal (via Teams), drie respondenten hebben een schriftelijke vragenlijst ingevuld, die qua opzet en inhoud gelijk was aan de topiclijst voor de gesprekken. De respondenten werd gevraagd waar binnen hun werkgebied en binnen hun regio behoefte aan was. Voor dit onderzoek maken we gebruik van ervarings-, praktijk- en wetenschappelijke kennis. Ook in dit artikel besteden we aan alle drie aandacht, waarbij het ervarings- en het praktijkperspectief voorop staan, omdat die vraagzijde vertegenwoordigen.
Bijzondere woonvormen: wat zijn het en voor wie zijn zij bedoeld?
Zowel nationaal als internationaal is er geen eenduidige definitie van bijzondere woonvormen. In Nederland wordt gesproken van o.a. beschermd wonen, begeleid wonen of beschut wonen, waaronder een groot scala aan woonvormen valt:
• gemeenschappelijk wonen, met alleen een eigen kamer;
• geclusterd wonen, met eigen voorzieningen en een eigen of gezamenlijke voordeur;
• groepswonen, met twee of drie huisgenoten en gedeelde voorzieningen;
Soms wordt onder deze noemer ook verwezen naar mensen die zelfstandig wonen met ambulante begeleiding, maar die vallen buiten onze focus. Relatief nieuw zijn gemengde woonvormen, waar bewoners een eigen huis hebben, al dan niet achter een gezamenlijke voordeur, maar waar ook ingezet wordt op samen leven met ‘reguliere’ huurders in hetzelfde pand. In dit onderzoek gebruiken wij de volgende definitie voor ‘bijzondere woonvorm’: ‘plekken waar mensen wonen met fysieke nabijheid van begeleiding (meestal 16 of 24 uur) en nabijheid van andere bewoners met soortgelijke zorg dan wel begeleidingsbehoefte.’