2 Redactioneel
Stynke Castelein
3 Stemmen horen begrijpelijk maken.
Voortborduren op het levenswerk van Marius Rommeⴕ
Gerdie Kienhorst
11 Waar komt iemand tot zijn recht?
Het landelijke perspectief
Max Huber, Dieke van Ewijk
22 ‘Dat je over hele wezenlijke dingen met elkaar praat’.
Een empirische studie naar motivaties van ambulante ggz-professionals rond aandacht voor zingeving in hun zorg
Line de Bruijn, Arjan Braam, Eva Ouwehand
36 ‘In de vrije ruimte mag alles er zijn’.
Interview met een deelnemer bij Enik
Anne Evers
39 KEES-prijs 2026.
Een initiatief van het Amsterdams Netwerk Ervaringskennis (ANE)
Martin Stam, Jamaa Taharrasst
49 Proefschri?tenparade
Perspective matters in recovery: from fragmented to collaborative care in complex psychosis. Herstel in perspectief: van gefragmenteerde zorg naar triadische samenwerking bij complexe psychose.
Thijs Burger
Exploring the long-term course of psychosis. Understanding longitudinal changes and interrelationships between recovery domains in diff erent phases of psychotic disorders.
Lars de Winter
55 Bijeenkomsten
Congres Gezelschappelijk Psychiatrie, 12 maart 2026, Zwolle
Margit van der Meulen
58 Boeken
L. de Winter et al. (2025). IPS werkt!
Handboek werken en leren met individuele plaatsing en steun. Volledig herziene editie.
Bert-Jan Roosenschoon
61 Rehab
Zingeving vormt een onderdeel van herstel. Er is echter handelingsverlegenheid in zorg rond zingeving. Waar zou deskundigheidsbevordering op gericht moeten zijn? Dit artikel gaat in op een empirisch onderzoek naar de samenhang tussen motivaties van ambulante ggz-professionals om zingeving al dan niet te betrekken in hun zorg, hun competenties hierin en hun persoonlijke manier van zingeven. Hoewel professionals gemotiveerd zijn, hangt het van hun persoonlijke affiniteit met zingeving af of professionals zingeving in de volle breedte betrekken. Met name vaardigheden in het actief bespreken van existentiële zingeving vragen aandacht in deskundigheidsbevordering.
Zingeving en herstel
Het belang van zingeving in herstelondersteunende zorg
Mensen met een psychische aandoening of een psychische kwetsbaarheid hebben vaak (impliciete) zingevingsvragen, bijvoorbeeld rond verlies van levensmogelijkheden, wanhoop en isolement, identiteit en zelfbeeld, mogelijke betekenis van psychisch lijden of het vinden van hernieuwde levensoriëntatie (zorgstandaard Herstelondersteuning, 2021). Ggz-cliënten hebben daarom behoefte aan aandacht voor hun zingevingsproces (Awara & Fasey, 2008; D’Souza, 2002; Van Uden & Pieper, 2000; Van Nieuw Amerongen- Meeuwse et al., 2019). Maar hoewel ook volgens professionals aandacht voor zingeving tot betere behandelresultaten leidt1, voorzien ggz-instellingen slechts gedeeltelijk in deze behoefte (Nieuw-amerongen Meeuwse, Schaap-Jonker & Braam, 2022).2
Alma en Smaling (2010, blz. 23) beschrijven zingeving als ‘de persoonlijke verhouding tot de wereld waarin het eigen leven geplaatst wordt in een breder kader van samenhangende betekenissen, waarbij doelgerichtheid, waardevolheid, verbondenheid en transcendentie worden beleefd, samen met competentie en erkenning, zodat ook gevoelens van motivatie en welbevinden worden ervaren’. Zingeving vormt een belangrijk aspect van herstel (zorgstandaard Herstelondersteuning, 2021). Antony’s (1993) beschrijving van een herstelproces als het ontwikkelen van nieuwe betekenisgeving aan en nieuwe doelen in het leven van mensen met een psychische kwetsbaarheid, toont overeenkomsten met de bovengenoemde beschrijving van zingeving.
Verbondenheid, hoop, identiteit, betekenis in het leven en grip op het leven dragen bij aan herstel (Leamy et al., 2011) en hangen sterk samen met het ervaren van zin. De zorgstandaard Herstelondersteuning (2021) en de zorgstandaard Zingeving in de psychische hulpverlening (2023) pleiten dan ook voor aandacht voor de zingeving van cliënten en zonodig het inschakelen van een geestelijk verzorger. Zorg rond zingeving is, volgens deze standaarden en de internationale spiritual care3 benadering, een gezamenlijke taak voor alle zorgverleners waarbij de geestelijk verzorger een bijzondere plaats inneemt (Leget, 2017). De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de Internationale Raad voor Verpleegkundigen beschouwen zingeving als een essentieel onderdeel van de gezondheidszorg als geheel (Vlasblom, 2016). Daarbij vinden cliënten dat niet alleen geestelijk verzorgers maar ook andere professionals oog moeten hebben voor zingeving (Van Uden & Pieper, 2000). Zingeving is idealiter ‘een dimensie van alle zorg en niet primair een domein van een specifi ek beroep’ (Van der Kolm, 2012, blz. 49).
Bij Enik Recovery College is vrije ruimte een hoofdingrediënt. Wellicht is dat zelfs het geheim van Enik. Maar wat is vrije ruimte precies? Anne Evers interviewde deelnemer en vrijwilliger Linda over haar ervaringen met vrije ruimte binnen Enik. Linda (49) kent Enik nu twee jaar. Zij is deelnemer van herstelwerkgroepen en werkt als vrijwillig facilitator van de reeks Ouderschap en psychische kwetsbaarheid.
Wil je iets delen over je eigen ervaringen?
‘Jaren zat ik in een donker, zwart gat. Vanwege mijn onveilige jeugd was er weinig licht in mijn leven. Twee jaar geleden had een gebeurtenis echter zo’n impact dat ik al het vertrouwen verloor. Ik geloofde helemaal niet meer in het leven. Het was alsof ik op zee was en verdronk. Toen werd er een reddingsboei naar mij toe gegooid en dat was Enik. Door de herstelacademie ben ik uit die put geklommen en zag ik weer licht. Enik was als een vuurtoren.’
‘Er werd een reddingsboei naar mij toegegooid en dat was Enik’
Linda
Wat is voor jou het ‘geheim’ van Enik?
‘Zijn’ bij de herstelacademie voelde als thuiskomen. Ik heb me altijd alleen gevoeld. Of had de gedachte: “Er is iets mis met mij.” Maar door de verhalen en openheid van anderen leerde ik dat ik niet de enige was die tegen eigen gedachten aanliep. Door deelname aan een herstelwerkgroep kwam ik uit mijn comfortzone. Ik vond het kwetsbaar opstellen spannend, maar deed het toch. Ik heb er lang over nagedacht en ik denk dat het geheim van Enik is dat je alle mogelijkheden krijgt om op zelfonderzoek uit te gaan.’
‘Er viel bij mij een kwartje en eindelijk ben ik gaan praten. Juist door het meemaken van traumatische ervaringen is het zelf vormgeven van mijn eigen proces belangrijk. Door al die vrijheid bij Enik ontstaat eigen regie. Je kunt ervaringen uitwisselen en zo jezelf ontwikkelen in een veilige omgeving.’
Congres Gezelschappelijk Psychiatrie, 12 maart 2026, Zwolle
Congres Gezelschappelijk Psychiatrie. 12 maart 2026, Nieuwe Buitensociëteit, Zwolle
Vandaag is het congres ‘Gezelschappelijke psychiatrie’. Een mij nog onbekende term, die wel nieuwsgierig maakt. Gert Schout, één van de twee hoofdsprekers vult het begrip in zoals Kunneman het heeft uitgelegd: het begrip ‘gezel-schap’ geeft stem aan het samen werken en samen leren. Analoog aan het middeleeuwse begrip ‘gezel’ uit de gilden: waar sprake is van overdracht en leren, is sprake van gezel-vorming. Dat is de oorsprong van het begrip gezelschappelijke
psychiatrie. Gezelschappelijkheid heeft betrekking op relaties aangaan vanuit een horizontale verbinding. Niet verticaal vanuit hiërarchie waarin machtsverhoudingen de relaties ongelijk maken. Horizontaal past de mens, want mensen floreren in gezelschap.
Mensen hebben andere mensen nodig. Zij kunnen elkaar geborgenheid en veiligheid bieden en dat heeft de mens nodig om te zich te ontwikkelen. Schout: ‘Als je erbij hoort, als je geaccepteerd wordt door je omgeving, dan kun je jezelf accepteren.’ Dat is ook nodig voor mensen die hun draai niet gevonden hebben, waar het soms moeilijk mee gaat, of die het ontbreekt aan vaardigheden om in de samenleving mee te draaien.
Voorbeeld
Neem het voorbeeld dat Gerard Lohuis gaf van Dirk, die een licht verstandelijke beperking heeft. Dirk had AI ontdekt en was er dolblij mee, want hij kreeg mooie antwoorden. Maar daardoor had Dirk geen contact meer met zijn broer en zus. Want Dirk had AI gevraagd naar wantrouwen. En AI had gezegd: ‘Als mensen foto’s van je maken dan moet je ze wantrouwen.’ En wat doet familie? Lohuis heeft veel moeite gehad om Dirk uit te leggen dat AI geen mens is. In onze wereld kan het gebeuren dat we Dirk zien als iemand met verward gedrag. Voor Dirk is AI een uitkomst, ook al kan die hem de verkeerde kant op wijzen. Dit voorbeeld laat zien hoe belangrijk iemands omgeving is en hoezeer we andere mensen nodig hebben. Hoe belangrijk relaties zijn en de wisselwerking tussen mensen. Maar ook dat we van elkaar kunnen leren.
Een analyse van de miskenning van informele zorg
Schout betoogt dat om allerlei redenen in Nederland maakbaarheid en marktwerking in de samenleving leidend zijn geworden, wat in de brede samenleving niet bijdraagt aan werken op basis van waarden zoals gelijkwaardigheid of rechtvaardigheid. Evenmin in de zorg, waar sinds de marktwerking er in 2005 werd ingevoerd, concurrentie heel belangrijk is, maar preventie niet meer. Als gevolg daarvan raakten informele zorg en de kracht van de gemeenschap uit beeld.
Toegang tot zorg vraagt om een medische noodzaak; er is alleen hulp voor mensen die medische ondersteuning nodig hebben.
Bestaansvragen zoals die van Dirk krijgen alleen steun als ze gemedicaliseerd (kunnen) worden. Voor een uitgebreide reflectie op het pleidooi van Schout verwijs ik naar de recensie van zijn laatste boek (Kal, 2026). Hij noemt de gemedicaliseerde psychiatrie (‘het eerste gebouw’ van de ggz) een nuttig onderdeel van goede psychiatrie, maar vindt een verbreding nodig, een extra loot aan de psychiatrieboom (‘het tweede gebouw’). Dat gebouw bestaat – net als in landen met een groot platteland – uit het zorgen voor wijde sociale netwerken, accepteren dat risico’s bij het leven horen, het niet scheiden van welzijn en zorg, preventie en het ondersteunen van de sociale omgeving en de informele hulp. Schout noemt dit bodemverrijking.
In de rubriek Rehab besteedt de redactie aandacht aan de uitreiking van de Jaap van Weeghelpenning, een prestigieuze jaarlijkse aanmoedigingprijs van Kenniscentrum Phrenos voor een persoon of praktijk die zich die zich op bijzondere of innovatieve wijze inzet voor maatschappelijke participatie en burgerschap van mensen met (ernstige) psychische problemen. In het kader van de lancering van het Keurmerk Ervaringskennis, Ervaringsdeskundigheid en Systeemcorrectie (KEES) werd dit jaar op 15 april voor het eerst de KEES-prijs uitgereikt. Een eigenzinnig initiatief van het Amsterdams Netwerk Ervaringskennis (ANE). In dit stuk meer over dit netwerk, KEES, de prijs en de evaluatie van de eerste ‘doorgang’ in 2026.
Inleiding: waarom KEES?
KEES staat voor Keurmerk Ervaringskennis, Ervaringsdeskundigheid en Systeemcorrectie. Het Amsterdams Netwerk Ervaringskennis ANE heeft deze prijs in het leven geroepen omdat steeds meer mensen met hun ervaringskennis in het sociale domein actief zijn. Maar ook omdat ze daarbij nog te veel aanlopen tegen een systeem dat ervaringskennis te persoonlijk, te toevallig, te weinig objectief, te subjectief, kortom, inferieur vindt aan wetenschappelijke en professionele kennis. Dat systeem beslist nog veel te vaak voor, over, of zelfs tegen de mensen die lijden onder armoede, eenzaamheid, uitsluiting of stigmatisering. Veel ervaringsdeskundigen streven systeemcorrectie na door wél samen te werken vanuit gelijkwaardige, wederkerige en democratische relaties. Binnen het systeem van het sociale zijn uitvoering, opleiding, onderzoek en beleidssturing sterk met elkaar verbonden, óók in de aarzeling over en weerstand tegen ervaringskennis (EK) en ervaringsdeskundigheid (ED). KEES wil dit bestrijden door bekendheid te geven aan praktijken die systeemcorrectie in zorg en welzijn veroorzaken dankzij de inzet van EK en ED. KEES nodigt ook uit om het gesprek over het belang van en ervaringsdeskundigheid (ED) te verbreden en te verrijken.
Aan welke praktijken wordt gedacht?
Het gaat over praktijken waarin ervaringsdeskundigen met vriendelijkheid, tederheid en bezorgdheid het verschil maken, zoals herstel van het gevoel van veiligheid bij henzelf en bij anderen. Dat gebeurt op voet van gelijkheid met bewoners en professionals, waarbij zij zich gesteund weten door een cultuur van vertrouwen en optimisme, door een werkomgeving met een inclusieve rolverdeling in taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden en met – waar sprake is van betaald werk – een duidelijk carrièreperspectief, gegarandeerd door leiderschap dat de hiermee corresponderende visie op leren en ontwikkelen helpt te versterken en uit te bouwen (positionering, samenspel in opleiding, training, supervisie, intervisie, reflectie steun, uitdaging). Zulke condities blijven vaak onderbelicht in de verschillende definities van ervaringskennis en ervaringsdeskundige. Een definitie zoals ‘iemand die op basis van persoonlijke en collectieve ervaringskennis in staat is deze kennis, in welke vorm dan ook, door te geven aan anderen’ (Eric van der Eerden, VvED, 2017, geciteerd in Van der Kooij & Keuzenkamp, 2018) helpt ons in de praktijken niet veel verder. Want: iedereen heeft ervaringen maar niet iedereen heeft ervaringskennis, laat staan collectieve ervaringskennis. En van die groep is niet iedereen een ervaringsdeskundige. Hoe dat precies zit blijft een raadsel.
• Sommigen proberen het bijzondere van ervaringsdeskundigen in een opsomming van rollen te vangen. Zoals: ondersteuner, coach of maatje, of beleidsbeïnvloeder, deskundigheidsbevorderaar, onderzoeker of initiator van vernieuwing.
• Anderen proberen het verschil tussen ervaring en ervaringskennis met voorbeelden te verduidelijken. Zoals: de ervaringsdeskundige heeft voldoende afstand van de eigen ervaringen en realiseert zich dat de eigen ervaringen niet automatisch de oplossing voor de ander hoeven te zijn.
• Of: ervaringsdeskundigen putten niet alleen uit hun eigen verhaal, maar ook uit de verhalen van anderen. Daarnaast maken zij gebruik van andere kennisbronnen, zoals wetenschappelijke en professionele kennis.
• Of: ervaringsdeskundigen dragen waarden uit, zoals gelijkwaardigheid en inclusie.
2 Redactioneel
Stynke Castelein
3 Stemmen horen begrijpelijk maken.
Voortborduren op het levenswerk van Marius Rommeⴕ
Gerdie Kienhorst
11 Waar komt iemand tot zijn recht?
Het landelijke perspectief
Max Huber, Dieke van Ewijk
22 ‘Dat je over hele wezenlijke dingen met elkaar praat’.
Een empirische studie naar motivaties van ambulante ggz-professionals rond aandacht voor zingeving in hun zorg
Line de Bruijn, Arjan Braam, Eva Ouwehand
36 ‘In de vrije ruimte mag alles er zijn’.
Interview met een deelnemer bij Enik
Anne Evers
39 KEES-prijs 2026.
Een initiatief van het Amsterdams Netwerk Ervaringskennis (ANE)
Martin Stam, Jamaa Taharrasst
49 Proefschri?tenparade
Perspective matters in recovery: from fragmented to collaborative care in complex psychosis. Herstel in perspectief: van gefragmenteerde zorg naar triadische samenwerking bij complexe psychose.
Thijs Burger
Exploring the long-term course of psychosis. Understanding longitudinal changes and interrelationships between recovery domains in diff erent phases of psychotic disorders.
Lars de Winter
55 Bijeenkomsten
Congres Gezelschappelijk Psychiatrie, 12 maart 2026, Zwolle
Margit van der Meulen
58 Boeken
L. de Winter et al. (2025). IPS werkt!
Handboek werken en leren met individuele plaatsing en steun. Volledig herziene editie.
Bert-Jan Roosenschoon
61 Rehab
Voor deze rubriek nodigt Participatie en Herstel (jonge) gepromoveerde onderzoekers uit om het onderzoek en de resultaten van hun proefschrift te beschrijven, zodat onze lezers snel kennis kunnen nemen van nieuwe onderzoeksresultaten op het vakgebied die relevantie kunnen hebben voor hun dagelijkse praktijk. Vragen? Neem contact op met de redactiesecretaris via penh@mailswp.com
Perspective matters in recovery: from fragmented to collaborative care in complex psychosis. [Herstel in perspectief: van gefragmenteerde zorg naar triadische samenwerking bij complexe psychose.
Mensen met een complexe psychose hebben een psychose die langdurig lastig te hanteren is, met ingewikkelde bijkomende kwetsbaarheden, zoals cognitieve problemen en verslaving. Zij vormen een relatief kleine groep, maar belanden wel langdurig in gevaarlijke of schrijnende situaties, en kennen hoge sociale- en zorgkosten. Gezien de complexiteit van de problemen is samenwerking tussen mensen met complexe psychose, hun naasten en professionals cruciaal, maar ook een uitdaging. Paradoxaal genoeg is er juist weinig onderzoek gedaan in deze groep. Voor dit proefschrift werd onderzocht: (1) wat is het profiel van mensen met een complexe psychose en wat zijn aangrijpingspunten om lange en moeizame zorgtrajecten te voorkomen? (2) wat is nodig om tot herstelgerichte (‘triadische’) samenwerking te komen? Promotor was prof. dr. Lieuwe de Haan, copromotores waren dr. Frederike Schirmbeck en dr. Mariken de Koning.
Achtergrond van het beperkte onderzoek
Juist de kenmerken van mensen met complexe psychose bemoeilijken het onderzoek. Ten eerste is wetenschappelijk onderzoek niet zelden gericht op sterk afgebakende doelgroepen, waardoor mensen met complexe problemen buiten de inclusiecriteria vallen. Ten tweede is een voorwaarde voor deelname aan onderzoek dat de deelnemer de risico’s van deelname voldoende overziet. Ten derde zorgt een gebrek aan gedeeld perspectief ervoor dat mensen niet zomaar willen meedoen aan onderzoek waarin hun problematiek wordt benoemd op een manier die zij niet herkennen. Ook speelt mee dat veel onderzoek vanuit academische centra wordt geïnitieerd, waar deze doelgroep niet langdurig in zorg is. Dit promotie-onderzoek is ontwikkeld door een groep waarin behandelaar-onderzoekers en (familie-) ervaringsdeskundigen met expertise over complexe psychose en de langdurige zorgcontext het voortouw namen. Er werden onderzoeksmethoden gebruikt die wel haalbaar zijn en laag risico kennen voor de deelnemers: retrospectief dossieronderzoek door behandelaar-onderzoekers, en kwalitatief onderzoek, waarbij mensen hun eigen verhaal konden vertellen.
Een stem horen, een plek om te wonen, een gesprek over zingeving en een herstelacademie: het lijken uiteenlopende onderwerpen. Toch vragen de bijdragen in deze aflevering om dezelfde beweging: weg van systemen die vooraf invullen wat iemand nodig heeft, naar oprechte aandacht voor iemands verhaal, wensen en leefwereld. Dat begint bij luisteren.
Het in memoriam over het werk van psychiater Marius Romme (en zijn partner Sandra Escher) laat zien hoe vernieuwend hun benadering van stemmen horen altijd is geweest. Vanaf de jaren ’80 benaderden zij stemmen horen niet als symptoom, maar als betekenisvolle ervaring in iemands levensgeschiedenis. Het is een eerbetoon aan hun nog altijd actuele gedachtegoed dat voortleeft voort in mensen, initiatieven en in de internationale stemmenhoordersbeweging.
Ook passende huisvesting begint niet met de vraag waar iemand in het bestaande aanbod past, maar waar iemand tot zijn recht komt. Dat vraagt om veiligheid, privacy, nabijheid, deskundige ondersteuning én eigen regie. De bijdrage over zingeving laat zien dat herstel bovendien raakt aan existentiële vragen. Professionals hoeven daarop niet altijd een antwoord te hebben; wél moeten zij het gesprek durven openen. Bij Enik krijgt ‘vrije ruimte’ concreet vorm. Daar mag ook het lijden er zijn en kunnen mensen hun eigen ontdekkingstocht vormgeven.
Ervaringskennis is daarbij een wezenlijke bron van kennis en systeemverandering.
De evaluatie van de KEES-prijs* benadrukt ook hoe belangrijk het is dat een kritische, onafhankelijke en systeemcorrigerende kracht behouden blijft. Uit de proefschriften in dit nummer ten slotte wordt duidelijk dat hersteldomeinen wel samenhangen, maar niet samenvallen. Minder symptomen hebben, betekent niet automatisch persoonlijk herstel. Daarvoor zijn onder meer betekenisvol contact, samenwerking met naasten en kansen om maatschappelijk mee te doen onmisbaar.
Dit nummer nodigt uit om naast naar wat werkt, vooral te kijken naar wie er voor ons staat zodat er ruimte komt voor het hele verhaal.
Op 4 juni jl. overleed op 92-jarige leeftijd em. hoogleraar sociale psychiatrie Marius Romme, een van de invloedrijkste psychiaters van zijn generatie. Samen met wijlen zijn vrouw Sandra Escher (overleden in 2021) heeft hij een revolutie teweeggebracht in de benadering van het werken met mensen die stemmen horen. Behalve bij hun werk en de Maastrichtse benadering, staan we stil bij enkele projecten die hun emanciperende werk voortzetten, mede om hun nagedachtenis te eren.
Achtergrond
Marius Romme en Sandra Escher waren van grote betekenis voor de herstelgerichte benadering van stemmenhoorders (en voor de herstelbeweging als geheel). Zij staan aan de basis van de nog altijd springlevende internationale stemmenhoordersbeweging (Hearing Voices Movement, The International Hearing Voices Network, met als ondersteunende stichting Intervoice; o.a. Longden et al., 2013). Zij stimuleerden hulpverleners om te werken volgens de door hen, later samen met Dirk Corsten verder ontwikkelde ‘Maastrichtse’ benadering.
In deze organisaties wordt het levenswerk van Marius Romme en Sandra Escher internationaal voortgezet. De kern van hun boodschap: stemmen horen kan niet worden afgedaan als symptoom van schizofrenie, maar moet worden begrepen in de context van ieders individuele levensgeschiedenis. Dus is het zaak om zonder oordeel te luisteren, de ervaringen van mensen serieus te nemen en stemmenhoorders te ondersteunen in het begrijpen van hun stemmen. De stemmenhoordersbeweging is ‘zeer succesvol geweest in de transformatie van het denken over en tolerantie voor psychische diversiteit’ aldus Jim van Os in het voorwoord bij het laatste boek dat Marius en Sandra, samen met coauteur Dirk Corstens, hebben geschreven (Romme, Escher & Corstens, 2021, blz. 11–14).
De Maastrichtse benadering
De ‘Maastrichtse’ benadering van stemmen horen (via de toepassing van het Maastrichtse interview) is ontstaan na de bevindingen uit het onconventionele onderzoek van Romme en Escher vanaf het eind van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Zij stelden vast dat stemmen horen geen teken van psychiatrische ziekte is, ook niet hoort bij een specifieke psychiatrische ziekte en dat bepaalde kenmerken van de stemmen evenmin een aanwijzing zijn voor een bepaalde ziekte (Romme & Escher, 1999a; 1999b). Hun conclusies botsten met het toen dominante paradigma van de biologische psychiatrie en met de gevestigde overtuiging dat het horen van stemmen niet meer was dan een symptoom van de genetische hersenziekte schizofrenie.
In de jaren ’80 en vroege jaren ’90 kwam dit als een schok. Mede omdat het medische model in de Nederlandse psychiatrie nog zeer dominant was, werd hun onderzoek in de academische psychiatrie nauwelijks serieus genomen. Daarentegen werden de bevindingen door stemmenhoorders en hun naasten in binnen- en buitenland, met name in het Verenigd Koninkrijk, wel geaccepteerd, niet in het minst omdat deze normaliserende en herstelgerichte benadering perspectief en hoop biedt. Over de hulpverlening en het onderzoekswerk rond het stemmen horen1 zijn online verschillende lezingen en presentaties toegankelijk, bereikbaar via de website die aan hun werk gewijd is (via de QR-code).
In 2025 is het landelijke onderzoek Passende huisvesting van start gegaan, onder aanvoering van het lectoraat Wonen en Welzijn van Hogeschool Utrecht, gekoppeld aan de beleidsprogramma’s ’Een thuis voor iedereen’ en het ‘Nationaal Actieplan Dakloosheid’.1 Een van de deelprojecten binnen dit onderzoek richt zich op bijzondere woonvormen voor (dreigend) dakloze mensen, die niet in een zelfstandige woning willen, kunnen of mogen wonen. Na eerdere publicaties in dit tijdschrift over de normatieve aspecten van beschermd wonen (Huber & Van Vugt, 2023) en de Amsterdamse praktijk (Huber et al., 2024), gaat deze bijdrage over het landelijke perspectief.
Achtergrond: opzet van een verkenning
We schetsen het landelijke perspectief via een verkenning vanuit de vraagzijde: welke bijzondere woonvormen worden gemist? Ons onderzoek naar passende huisvesting (d.i. de mate waarin huisvesting past bij de wensen en behoeften van een persoon) in bijzondere woonvormen staat niet op zichzelf. Het vraagstuk van goed wonen voor mensen die niet zelfstandig kunnen, mogen of willen wonen is een (belangrijk) onderdeel van de Regiokaart Complex van zorgkantoren (2024), het Actieplan Passende langdurige zorg voor dakloze mensen (2025), de Werkagenda Een betekenisvol leven met een langdurige psychische aandoening (2025) en de Academische werkplaats langdurige ggz (Trimbos-instituut, 2024), naast de eerder genoemde landelijke beleidsprogramma’s, waaraan het onderzoek gekoppeld is. Voor het onderzoek hebben we recente relevante beleidsrapporten- en verkenningen geanalyseerd (o.a. CQ Procesmanagement, 2024; DSP-groep, 2024; Huber, 2025; Mind, 2024; Muusse et al., 2025; VNG, 2025). Daarnaast hebben we gesproken met twintig experts, werkzaam bij zorgkantoren, gemeenten, brancheorganisaties en zorgaanbieders (woonzorg- en ggz-organisaties). In een voorverkenning is gesproken met leden van het cliëntenpanel van HVO-Querido, leden van de Academische werkplaats langdurige ggz, belangenbehartigers en mensen met ervaringskennis.
De gesprekken waren overwegend digitaal (via Teams), drie respondenten hebben een schriftelijke vragenlijst ingevuld, die qua opzet en inhoud gelijk was aan de topiclijst voor de gesprekken. De respondenten werd gevraagd waar binnen hun werkgebied en binnen hun regio behoefte aan was. Voor dit onderzoek maken we gebruik van ervarings-, praktijk- en wetenschappelijke kennis. Ook in dit artikel besteden we aan alle drie aandacht, waarbij het ervarings- en het praktijkperspectief voorop staan, omdat die vraagzijde vertegenwoordigen.
Bijzondere woonvormen: wat zijn het en voor wie zijn zij bedoeld?
Zowel nationaal als internationaal is er geen eenduidige definitie van bijzondere woonvormen. In Nederland wordt gesproken van o.a. beschermd wonen, begeleid wonen of beschut wonen, waaronder een groot scala aan woonvormen valt:
• gemeenschappelijk wonen, met alleen een eigen kamer;
• geclusterd wonen, met eigen voorzieningen en een eigen of gezamenlijke voordeur;
• groepswonen, met twee of drie huisgenoten en gedeelde voorzieningen;
Soms wordt onder deze noemer ook verwezen naar mensen die zelfstandig wonen met ambulante begeleiding, maar die vallen buiten onze focus. Relatief nieuw zijn gemengde woonvormen, waar bewoners een eigen huis hebben, al dan niet achter een gezamenlijke voordeur, maar waar ook ingezet wordt op samen leven met ‘reguliere’ huurders in hetzelfde pand. In dit onderzoek gebruiken wij de volgende definitie voor ‘bijzondere woonvorm’: ‘plekken waar mensen wonen met fysieke nabijheid van begeleiding (meestal 16 of 24 uur) en nabijheid van andere bewoners met soortgelijke zorg dan wel begeleidingsbehoefte.’