Bert Stavenuiter zat als directeur en vertegenwoordiger van Ypsilon, de vereniging van familieleden van mensen met psychische aandoeningen, in de projectgroep Over de brug. Hij blikt onder meer terug op de positie en de inbreng van naasten in de werkgroep en op hoe de visie van Over de brug de latere ontwikkelingen heeft beïnvloed.
12.1 HOE KIJK JIJ TERUG OP DE TOTSTANDKOMING VAN OVER DE BRUG?
‘Ik vond het een gedegen proces. Het was heel mooi om te zien hoe wij – naasten én cliënten – hierin samen optrokken. Ypsilon werd er goed in meegenomen. Kenniscentrum Phrenos was de regievoerder en kreeg hiermee een sterke positie. Phrenos behartigde de belangen van mensen met ernstige psychische aandoeningen heel goed en wist het rapport hoog op de politieke agenda te krijgen. Het rapport is bedacht en opgeschreven door een aantal wijze mensen, en er was veel instemming dat wat daar in stond ook moest gebeuren.’ ‘Terugblikkend vind ik dat de inbreng van cliënten en naasten sterker had gemoeten.
De cliënten- en naastenbeweging is enorm gegroeid. Weliswaar was er toen bij het overleg in verschillende gremia altijd ook een cliënt en een naaste aanwezig, maar altijd naast een groot aantal ggz-organisaties. Dan kon je zomaar in een groep zitten met 15 ggz-organisaties en dan één cliënt en één naaste. Om dan te zeggen, tjonge, wat is hun perspectief goed vertegenwoordigd? Ik zou nu zeggen van niet. Het feit dat we daar toen standaard aan tafel zaten was oké. Maar op de ongelijkheid in inbreng, daar kun je ook met terugwerkende kracht best kritisch op zijn, vind ik.’
Is die ongelijkheid nu verbeterd?
‘Ja, hoewel het nog steeds om de haverklap voorkomt dat cliënten amper meebeslissen. We zijn nu bijvoorbeeld bezig met het maken van een kennisagenda – Ypsilon heeft altijd belangstelling gehad voor wetenschappelijk onderzoek. Voorheen waren er maar enkele onderzoekers die het leuk vonden om iets met naasten te doen, terwijl het nu ondenkbaar is om naasten níet te betrekken. Bij subsidieaanvragen is de inbreng van cliënten en naasten ook beter geregeld. Er moet duidelijk en concreet worden aangegeven hoe zij bij het onderzoek betrokken worden. Het is echt de verdienste van de ervaringsdeskundigen dat deze inbreng niet meer uit te vlakken is.’
‘Maar deze beweging van ervaringsdeskundigen is van henzelf en komt niet voort uit Over de brug. Bij Over de brug waren wel cliënten en naasten betrokken, maar er werd niet zozeer nagedacht over hun positie en hoe hun kennis het beste benut kon worden.’
In Over de brug hadden herstelacademies toch wel een plek?
‘Ja, in Over de brug werden de eerste voorbeelden omarmd. Het thema van Over de brug was dat de verbinding van de ggz met de samenleving – het sociaal domein – verbeterd moest worden. De ggz was een nogal in zichzelf gekeerd eiland dat alles op dat ggz-eiland wilde oplossen. De opgave was om er samen voor te zorgen dat mensen met psychische problematiek meer deelnamen aan de gewone mensenwereld. Dus voor het eiland van de ggz, om een brug te slaan naar de rest van de wereld. Daar horen die herstelacademies bij die zich los van ggz begonnen te ontwikkelen. Maar dat is nog niet hetzelfde als zeggen dat ervaringsdeskundigen een belangrijke rol spelen.’