We gebruiken ons vakgebied ‘geweld in afhankelijkheidsrelaties’ als voorbeeld. Veertig jaar geleden was hier weinig of geen kennis over. Dat is nu wel anders: er is veel kennis over dit fenomeen. Maar benutten we die kennis voldoende? Immers, kennis hebben betekent niet automatisch dat er iets mee wordt gedaan. In dit artikel onderzoeken we kennis vanuit drie perspectieven: de kennis-actiekloof, constructieve ontevredenheid en coherent samenwerken. Deze thema’s zijn breed toepasbaar binnen het sociaal domein, de (jeugd)zorg en de veiligheidsketen.
DE KENNIS-ACTIEKLOOF
Tot ver in de jaren zeventig werd geweld in de relationele sfeer nauwelijks (h)erkend als maatschappelijk probleem. Seksueel geweld in gezinnen werd gezien als uiterst zeldzaam. Niet omdat er geen signalen waren, maar omdat het eenvoudigweg ondenkbaar werd geacht dat vaders, broers of andere familieleden kinderen zouden misbruiken. Het gezinsideaal was heilig; incest paste daar niet in. Kinderen die hun verhaal vertelden, werden vaak niet geloofd. Hun ervaringen werden afgedaan als fantasie, leugens of beïnvloeding. Het probleem was dus niet dat men het niet kón weten, maar dat men het niet wílde weten. Hardnekkige overtuigingen zorgden ervoor dat de ervaringskennis van kinderen structureel werd genegeerd, gebagatelliseerd of als onbetrouwbaar werd weggezet.
In de jaren tachtig werd voor het eerst grootschalig wetenschappelijk onderzoek gedaan naar seksueel geweld bij kinderen in Nederland (Draijer, 1988). Dit onderzoek liet zien dat incest geen uitzondering was, maar een van de meest voorkomende vormen van seksueel geweld tegen kinderen. Er was nu empirische kennis. Toch werd ook deze met scepsis ontvangen: ‘Dit kan niet waar zijn’, ‘Het zal wel overdreven zijn’, ‘Dat is feministische propaganda’. Desondanks betekende het onderzoek een doorbraak. Seksueel misbruik werd bespreekbaar; het taboe werd voorzichtig doorbroken.
De cijfers uit het wetenschappelijk onderzoek kregen betekenis door de verhalen die naar voren kwamen in zelfhulpgroepen, lotgenotengroepen en de vrouwenopvang. Deze ervaringskennis maakte invoelbaar en concreet wat incest en misbruik doen met het leven van mensen. Wetenschappelijke kennis en ervaringskennis versterkten elkaar en maakten duidelijk dat het niet ging om incidenten, maar om een structureel maatschappelijk probleem. Toch leidde dit niet vanzelf tot verandering. Het activisme van de vrouwenbeweging en de professionaliteit van de vrouwenhulpverlening waren nodig om seksueel geweld politiek en maatschappelijk te agenderen.
Polarisatie wordt vaak samengevat als ‘wij-zij-denken’ en sociaal werkers merken dat deze tegenstellingen tussen mensen steeds vaker voorkomen. Gesprekken verharden sneller, mensen raken eerder gekwetst en emoties lopen snel op. Tegelijk is er veel verwarring en onduidelijkheid over wat polarisatie precies is. Juist doordat er zoveel aandacht is voor polarisatie op tv, in kranten en op sociale media wordt dit versterkt. Daarom is het nodig om scherp te hebben wat polarisatie nu precies is en wat het veroorzaakt. Voor sociaal werkers is het namelijk nodig om hier weet van te hebben om vervolgens daar goed naar te kunnen handelen. Die begripsverheldering vormt een eerste vorm van handelingsrelevante kennis: kennis die niet losstaat van de praktijk, maar direct richting geeft aan professioneel handelen. In exploratieve gesprekken met sociaal werkers, voortkomend uit ons onderzoek naar polarisatie, zien we dat van hen niet alleen wordt gevraagd spanning te herkennen, maar ook dat ze hun morele kompas moeten gebruiken.
Het vraagt handelen vanuit waarden als rechtvaardigheid, nabijheid en menselijke waardigheid.
Het vraagt dat sociaal werkers durven duiden waar het schuurt en waarom. In dit artikel brengen we verschillende vormen van kennis samen: wetenschappelijke kennis over polarisatie, ervaringskennis uit de dagelijkse praktijk van sociaal werkers en professionele kennis over positionering, proces en moreel handelen. Het is juist het samenspel tussen deze kennisbronnen dat het mogelijk maakt om polarisatie niet alleen te begrijpen, maar er ook daadwerkelijk mee te werken. We onderzoeken hoe sociaal werkers koers kunnen houden in gepolariseerde situaties. Daarbij laten we zien hoe sociaal werkers als vakmensen kunnen bijdragen aan ‘de-bubblificatie’: het openen van de ramen tussen onze verschillende leefwerelden. Polarisatie vraagt dus geen stille/neutrale professionals. Het vraagt een scherper kompas. Daar begint het vakmanschap dat sociaal werk vandaag nodig heeft.
Sociale professionals richten zich op de participatie van burgers en hun functioneren in de samenleving, met als doel het welzijn van individuen, groepen en gemeenschappen te vergroten. Zij werken vanuit principes van sociale rechtvaardigheid, collectieve verantwoordelijkheid en respect voor diversiteit. In hun werk versterken zij de eigen kracht en het initiatief van burgers, verbinden zij burgers onderling en leggen zij verbindingen tussen burgers en instanties. Dit zijn complexe processen waarin uiteenlopende belangen vaak op gespannen voet met elkaar staan.
De beroepsvereniging van sociaal werkers (BPSW, 20224) zet sterk in op verdere professionalisering, waarbij behoefte bestaat aan meer kennis over ‘wat werkt’. Om bij te dragen aan oplossingen voor complexe maatschappelijke vraagstukken rondom zogenoemd ‘onbegrepen gedrag’ voert het lectoraat GGZ en Samenleving participatief actie-onderzoek (PAR) uit (Abma et al., 20191) . Beleid en veranderingen worden vaak ontwikkeld zonder voldoende betrokkenheid van de mensen om wie het gaat, wat kan leiden tot problemen of onrechtvaardigheid bij de uitvoering.
Dit werd bijvoorbeeld zichtbaar bij de toeslagenaffaire. In participatief actie-onderzoek werken alle belanghebbenden vanuit zowel de leefwereld als ‘het systeem’ samen aan praktijkverbetering, waarbij leren, veranderen en kennisontwikkeling gelijktijdig plaatsvinden. Daarbij is het proces even belangrijk als de uiteindelijke producten of interventies. Sociale professionals werken in complexe, levensechte situaties waarin niet alle factoren te controleren zijn, maar wel meegenomen kunnen worden in het proces. Arts-based werkwijzen kunnen hierbij ondersteunend zijn10. In dit artikel wordt een voorbeeld beschreven van een participatief actieonderzoek in de Zwolse wijk Dieze-Oost, uitgevoerd door onderzoekers van hogeschool Windesheim in het kader van de Regionale Kennis werkplaats Onbegrepen Gedrag IJsselland.