Eén op de drie Belgen maakt geweld door een (ex-)partner mee

Eén op de drie Belgen maakt geweld door een (ex-)partner mee

Gratis

Omschrijving

Wat de EU-GBV-enquête onthult over gendergerelateerd geweld in België

Een samenvattend artikel bij het rapport "Ervaringen van vrouwen en mannen met gendergerelateerd geweld in België" (Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, januari 2026)

Ongeveer één op de drie Belgen is in zijn of haar leven ooit slachtoffer geworden van geweld binnen een partnerrelatie. Eén op de vijf heeft te maken gehad met stalking of met geweld door een onbekende. Eén op de vier is op het werk ooit geconfronteerd met ongewenst seksueel gedrag. Dat zijn de kerncijfers uit het nieuwe rapport van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, dat in januari 2026 werd gepubliceerd op basis van de tweede Europese enquête naar gendergerelateerd geweld (EU Gender-based Violence Survey, kortweg EU-GBV). Het is het meest uitgebreide prevalentieonderzoek in België sinds het FRA-onderzoek van 2014 — en het eerste dat zowel vrouwen als mannen systematisch bevraagt.

Het rapport, geschreven door een onderzoeksteam van onder meer UCLL en de Universiteit Gent, combineert kwantitatieve data uit de EU-GBV-enquête (5.494 respondenten, waarvan 4.529 vrouwen en 965 mannen) met een scoping review van recente wetenschappelijke literatuur en acht focusgroepen met professionals uit politie, justitie, hulpverlening, zorg en middenveld. Het hoofdonderwerp: vier vormen van gendergerelateerd geweld, namelijk stalking, ongewenst seksueel gedrag op het werk, niet-partnergeweld en intiem partnergeweld.

Gendergerelateerd geweld is alomtegenwoordig — en vaak onzichtbaar

De cijfers maken duidelijk dat gendergerelateerd geweld geen marginaal fenomeen is. De prevalentiepercentages variëren per geweldsvorm tussen 19,8% (stalking) en 29,8% (intiem partnergeweld) onder de Belgische bevolking tussen 18 en 74 jaar. Dat betekent dat honderdduizenden Belgen ooit geconfronteerd zijn met een of meerdere vormen van dit geweld — en dat de werkelijke omvang waarschijnlijk nog groter is. Veel slachtoffers doen immers geen aangifte bij politie of justitie, waardoor administratieve statistieken het "dark number" structureel onderschatten. Juist daarom zijn bevolkingsonderzoeken als de EU-GBV-enquête zo belangrijk: ze brengen ook de niet-gemelde geweldsdaden in beeld.

Opvallend is dat de onderzoekers niet alleen vrouwen bevroegen, zoals de Europese Commissie oorspronkelijk aanbeval, maar ook mannen. Die keuze — door het Instituut actief ondersteund — maakt de genderdimensie van het geweld scherper zichtbaar. Want terwijl mannen en vrouwen op sommige punten vergelijkbare prevalenties rapporteren, verschillen de aard, de ernst en de frequentie van het geweld systematisch. Juist die nuances zouden verborgen blijven in een enquête die zich uitsluitend op vrouwen richt.

Stalking: vrouwen vaker slachtoffer, mannen vaker door een ex

Stalking is voor 22,7% van de vrouwen en 16,9% van de mannen een levenservaring. In driekwart van de gevallen (75,5%) is de dader geen partner, maar een onbekende, kennis of vriend. Toch speelt partnerstalking een belangrijke rol: bij ongeveer een op de drie slachtoffers (30,6%) is de dader een (ex-)partner. Opmerkelijk genoeg identificeren mannelijke slachtoffers vaker dan vrouwelijke slachtoffers een (ex-)partner als dader.

Bijna negen op de tien slachtoffers van stalking door een ex-partner geven aan ook eerder partnergeweld te hebben meegemaakt. Stalking is in die gevallen dus geen losstaand feit, maar het vervolg op een gewelddadige relatie. Jonge vrouwen tussen 18 en 29 jaar en vrouwen in kwetsbare posities — zoals arbeidsongeschikten of vrouwen met een slechte gezondheid — zijn oververtegenwoordigd onder de slachtoffers.

De aangiftebereidheid blijft laag: slechts 18,4% van de vrouwelijke stalkingslachtoffers stapte naar de politie. De meest genoemde redenen om dat niet te doen: men vond het geweld niet ernstig genoeg (45,7%) of beschouwde het als een privékwestie (31,8%).

Ongewenst seksueel gedrag op het werk: vrouwen bijna dubbel zo vaak getroffen

Een op de vier Belgen (24,9%) heeft ooit in het professionele leven ongewenst seksueel gedrag meegemaakt. De genderkloof is hier uitgesproken: 32,9% van de vrouwen tegenover 17,5% van de mannen. In de huidige baan maakt 14,9% van de vrouwen dit nog steeds mee, tegen 5,3% van de mannen. Bijna de helft van de slachtoffers (47,9% bij vrouwen, 41,4% bij mannen) ervaart het gedrag niet eenmalig, maar herhaaldelijk.

De dader is meestal een collega (40,5% voor vrouwen), maar vaak ook een andere professionele contact (43,5%) of leidinggevende (25,6%). In de overgrote meerderheid van de gevallen (82,9% bij vrouwelijke slachtoffers) gaat het om uitsluitend mannelijke daders. Een substantieel deel van het gedrag vindt plaats in de digitale sfeer: 19,4% van de slachtoffers rapporteert ongepaste avances via sociale media, 15,5% ongewenste seksueel getinte e-mails of berichten.

Terwijl twee derde (67,1%) van de werkenden weet dat hun organisatie een contactpersoon of vertrouwenspersoon heeft, kent slechts 23,1% een opleidingsaanbod voor slachtoffers. Professionals uit de focusgroepen wijzen op een terugkerend patroon: slachtoffers vergoelijken of verzwijgen incidenten uit angst voor escalatie, verlies van hun baan of twijfel over de effectiviteit van een melding — zeker wanneer de dader een leidinggevende is.

Niet-partnergeweld: mannen vaker slachtoffer van fysiek geweld, vrouwen van seksueel geweld

Niet-partnergeweld — fysiek of seksueel geweld gepleegd door iemand anders dan een (ex-)partner — treft 20,8% van de Belgische bevolking vanaf de leeftijd van 15 jaar. Op dit geaggregeerde cijfer is er geen significant verschil tussen mannen en vrouwen. Maar zodra je de onderliggende vormen bekijkt, verschijnt er een duidelijk genderpatroon.

Fysiek geweld en bedreigingen door een niet-partner raken vaker mannen (20,5%) dan vrouwen (10,1%). Mannelijke slachtoffers werden bijvoorbeeld aanzienlijk vaker "met opzet geslagen met de vuist of een voorwerp, of geschopt" (74,6%) dan vrouwelijke slachtoffers (38,6%). Seksueel geweld door een niet-partner daarentegen is overwegend een vrouwelijke ervaring: 11,5% van de vrouwen rapporteert minstens één geval, waarvan 5,4% een (poging tot) verkrachting. Voor mannelijke slachtoffers van seksueel geweld waren er in de steekproef te weinig respondenten om betrouwbare analyses uit te voeren — op zich al een aandachtspunt voor toekomstig onderzoek.

Ook hier zijn jonge vrouwen en vrouwen in een kwetsbare maatschappelijke positie oververtegenwoordigd: werklozen (33,4%), arbeidsongeschikten (27,2%) en vrouwen met een slechte gezondheid (34,8%) rapporteren aanzienlijk vaker slachtofferschap dan de algemene vrouwelijke bevolking (19,1%). In de meerderheid van de gevallen (54,9%) is de dader bekend bij het slachtoffer — meestal een kennis, familielid of vriend(in).

Intiem partnergeweld: de stille epidemie achter de voordeur

Partnergeweld is de meest voorkomende vorm van gendergerelateerd geweld in België: 29,8% van de volwassen bevolking heeft het ooit meegemaakt. Psychologisch geweld domineert (30,4%), gevolgd door fysiek geweld (11,7%) en seksueel geweld (7,6%, alleen gegevens voor vrouwen beschikbaar). De levensloopprevalentie verschilt op het eerste gezicht niet tussen mannen en vrouwen — maar wie dieper kijkt, ziet belangrijke verschillen.

Vrouwen zijn significant vaker slachtoffer van fysiek partnergeweld (14,4% tegenover 8,5% bij mannen) en van combinaties van meerdere vormen tegelijk (48,7% tegenover 23,5%). Ze beoordelen het geweld ook als ernstiger. Mannen rapporteren vaker geïsoleerd psychologisch geweld; vrouwen maken vaker complexe, herhaalde en escalerende geweldspatronen mee die psychologische, fysieke en seksuele componenten combineren. Bij geweld door een voormalige partner classificeert ongeveer de helft van de vrouwelijke slachtoffers het als "zeer ernstig" en als "een misdrijf".

De gevolgen zijn ingrijpend: 30,3% van de vrouwelijke slachtoffers houdt lichamelijke verwondingen over, 29,9% psychologische klachten, en maar liefst 84,2% rapporteert socio-economische gevolgen. In 33,1% van de gezinnen zijn kinderen getuige van het geweld. Toch heeft slechts 27,6% van de slachtoffers ooit aangifte gedaan bij de politie. De redenen? Het geweld werd niet ernstig genoeg geacht (43,0%) of het werd als een privékwestie beschouwd (39,5%).

Twee terugkerende thema's: kindertijd en digitalisering

Over alle vier de geweldsvormen heen springen twee rode draden in het oog. De eerste is de sterke samenhang met geweld in de kindertijd. Mannen en vrouwen die als kind werden mishandeld — fysiek, psychologisch of seksueel, of als getuige van geweld tussen ouders — zijn systematisch oververtegenwoordigd onder slachtoffers van gendergerelateerd geweld op volwassen leeftijd. Die bevinding sluit aan bij internationaal onderzoek en onderstreept het belang van vroegtijdige preventie en traumasensitieve zorg.

De tweede rode draad is de digitale dimensie. Meer dan de helft van de stalkingslachtoffers (51,3%) ontving ongewenste berichten via sms of sociale media. Een op de drie slachtoffers van psychologisch partnergeweld (33,1%) werd gecontroleerd via gps, telefoon of sociale media. Creepshots en deepnudes, door AI gemanipuleerde naaktbeelden, vormen een nieuwe categorie van geweld die in oudere onderzoeken nog niet bestond. Online geweld wordt vaak onderschat, stellen de onderzoekers, maar de impact op slachtoffers is reëel en soms verwoestend.

Wat het rapport betekent voor beleid en praktijk

De bevindingen vormen volgens het Instituut een waardevolle basis om het beleid tegen gendergerelateerd geweld te versterken. Daarbij pleiten de onderzoekers voor regelmatige herhaling van dit soort prevalentieonderzoek, zodat de evolutie van het geweld longitudinaal gevolgd kan worden — iets waar ook het Verdrag van Istanbul op aandringt.

Voor professionals in hulpverlening, politie en zorg zijn de beleidsimplicaties duidelijk: blijf investeren in herhaalde informatiecampagnes, in een uitwisselingscultuur tussen hulpdiensten, in opleiding van medisch personeel om signalen te herkennen, en in een zorgzame werkomgeving waar drempels om te melden zo laag mogelijk zijn. Tegelijk wijzen de professionals uit de focusgroepen op de blijvende rol van het directe netwerk van slachtoffers — vrienden, familie, collega's. Zij worden in 70,1% van de gevallen het eerst in vertrouwen genomen. Sensibilisering van die naasten, zodat zij durven signaleren zonder de regie bij het slachtoffer weg te nemen, is een cruciale schakel.

Ten slotte legt het rapport een pijnlijke blinde vlek bloot: minder dan de helft van de Belgen kent hulpdiensten als 1712, 0800 300 30 of SOS Viol, en de Zorgcentra na Seksueel Geweld zijn nog het minst bekend. Dat deze hulpstructuren beter zichtbaar worden — in campagnes, bij artsen, in scholen, op werkplekken — is misschien wel de eenvoudigste en meest urgente aanbeveling van dit omvangrijke rapport.

Bron: Verbeke, L., Dierickx, S., Groenen, A., Verhage, A., De Vocht, L., Raes, J., Glowacz, F., & Oger, N. (2026). Ervaringen van vrouwen en mannen met gendergerelateerd geweld in België. Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen.